| 27 februari 2010 |
Door: Yvonne Doorduyn en Philip van Praag
Zijn vierde kabinet is gevallen. Zijn populariteit is tot een dieptepunt gedaald. Maar CDA-leider Jan Peter Balkenende aarzelt geen moment: hij gaat dóór. Op naar Balkenende V. Of Nederland het nu wil of niet - Balkenende is de laatste die zich laat ontmoedigen. En, zo blijkt uit nieuw een onderzoek van TNS NIPO, in opdracht van De Volkskrant en de Universiteit van Amsterdam, waarom zou hij ook? Zeven van de tien Nederlanders mogen het tijd vinden om Balkenende als politiek leider van het CDA te vervangen, maar zijn gedoodverfde opvolgers trekken evenmin volle zalen.
Slechts 14 procent van de kiezers vindt het aantrekkelijker om op het CDA te stemmen als Maxime Verhagen (nu demissionair minister van Buitenlandse Zaken) de kar zou trekken. Camiel Eurlings, de huidige minister van Verkeer, krijgt met 21 procent een fractie meer handen op elkaar. Bij de PvdA zijn populaire voorlieden evenmin dik gezaaid. 45 procent van Nederland heeft het gehad met Wouter Bos als PvdA-leider, maar slechts 20 procent denkt dat de Amsterdamse PvdA-burgemeester Job Cohen het beter kan. Ook VVD’er Mark Rutte hoeft van de kiezer niet gewisseld te worden voor de bedaagdere Ivo Opstelten. Waar zijn de grote leiders? Waar zijn de staatslieden van weleer die Nederland bij de hand nemen en gewillig worden gevolgd?
Als het TNS NIPO onderzoek iets blootlegt, dan is het wel dat deze politieke crisis de crisis van de leiders is. Géén van de huidige politieke kopstukken kan rekenen op veel vertrouwen als mogelijk minister-president.
Waar vroegere leiders als Wim Kok, Hans van Mierlo of recenter Gerrit Zalm nog het vertrouwen kregen van meer dan de helft van de bevolking - bij Kok oplopend tot bijna 70 procent - komt Bos na de val van het kabinet op een schamele 34 procent. De oppositieleiders scoren niet veel beter. Alexander Pechtold van D66 voert de lijst aan en komt een procentje hoger uit. Sinds 1994 is het niet voorgekomen dat geen enkele politicus van meer dan veertig procent van de kiezers vertrouwen geniet. Qua gezag en uitstraling haalt Pechtold het bij lange na niet bij eerdere D66-kopstukken. Femke Halsema (GroenLinks) blijft iets achter bij deze heren, maar is samen met Mark Rutte wel één van de lijsttrekkers over wie het oordeel sinds 2006 niet is veranderd: vertrouwen van 25 tot 30 procent van de burgers. SP-leider Agnes Kant bungelt samen met Rita Verdonk van Trots op Nederland onderaan het vertrouwenslijstje.
| 1 | | Matig vertrouwen in politieke kopstukken |
|---|
![]() |
Bron: TNS NIPO, 2010 |
Effect van terugtrekken uit Uruzgan
De val van het kabinet over de verlenging van de militaire missie in
Uruzgan heeft het vertrouwen van het Nederlandse volk in haar leiders
geen goed gedaan. Vooral Balkenende gaat in de peiling hard onderuit –
binnen een week van 33 naar 25 procent. In november 2006,
vóór het vechtkabinet van CDA, PvdA en ChristenUnie
aantrad, kregen Balkenende en Bos nog het vertrouwen van respectievelijk
51 en 44 procent van de kiezers.
Het beeld van een kabinet dat drie jaar lang rollebollend over straat is gegaan, heeft barsten geslagen in het standbeeld van de macht. Barsten waarbij het nog maar de vraag is of ze de komende jaren herstellen. Politici beloven meer dan ze kunnen waarmaken, vindt 85 procent van de kiezers. Ze zijn vooral bezig met hun eigen belang, zegt 46 procent. En Kamerlid word je eerder door je politieke vrienden dan door je bekwaamheden, denken de meesten (55 procent). Dat beeld is overigens vergelijkbaar met vier jaar geleden.
Ook het beleid van Balkenende IV komt er bekaaid af. De aanpak van de crisis wordt nog het positiefst beoordeeld: 45 procent vindt dat het kabinet dat goed heeft gedaan. Op beleidsterreinen als veiligheid, integratie en koopkrachtontwikkeling vindt het kabinet slechts éénderde van de kiezers achter zich.
Wilders profiteert
Het is duidelijk wie van het tanende gezag van de politiek profiteert:
Geert Wilders en zijn Partij voor de Vrijheid (PVV). Wilders scoort niet
hoog op de vertrouwenslijst - 18 procent gelooft in hem als premier -
maar dat komt louter omdat hij bij de overige kiezers zoveel afkeer
oproept. Zijn positie is vergelijkbaar met die van Pim Fortuyn in 2002:
hij scoort hoog onder zijn eigen kiezers (74 procent), maar bij de
aanhang van bijna alle andere partijen bestaat er geen enkel vertrouwen
in hem. Omgekeerd heeft de PVV-kiezer in bijna geen enkele andere
politicus enig vertrouwen - niet in de leiders van linkse partijen, maar
ook niet in Pechtold of Balkenende. Alleen Rutte vinden ze enigszins
aanvaardbaar.
Uitkomst TK-verkiezingen moeilijk te voorspellen
Dat geen van de leiders eruit springt, en ze allemaal in een middelmatig
peloton blijven hangen, maakt de uitkomst van de Tweede
Kamerverkiezingen moeilijk te voorspellen. Laat staan de coalitie die
Nederland eind dit jaar regeert. De race om de eerste plaats, wie wordt
de grootste, ligt volstrekt open.
Partijen als CDA en PvdA, die vier jaar geleden nog 40 procent van de
kiezers tot hun potentiële achterban konden rekenen, blijven nu
steken onder de 25 procent. Maar liefst vijf partijen kunnen in juni de
grootste worden: niet alleen het CDA, de Partij van de Arbeid of de PVV,
maar ook D66 en de VVD zijn niet kansloos.
En dan nog, de Nederlandse geschiedenis heeft het eerder bewezen: het is
geen automatisme dat de grootste partij gaat regeren en de
minister-president levert.
F7053 | TNS NIPObase CAWI | Het onderzoek is uitgevoerd door TNS NIPO en de Universiteit van Amsterdam (Center for Politics and Communication), in opdracht van De Volkskrant. Het veldwerk vond plaats van 11 t/m 17 februari 2010. Hierbij werden 1.577 Nederlanders van 18 jaar en ouder ondervraagd (n=1.577). Na de val van het kabinet zijn 847 respondenten opnieuw ondervraagd.
Bij publicatie of verspreiding graag de bron TNS NIPO/De Volkskrant
vermelden. Voor eventuele vragen kunt u contact opnemen met Peter Kanne (tel: 020 522 59
24/ 06 225 496 31) of Tim de Beer
Wilt u op de hoogte blijven van andere gratis publicaties in de toekomst, dan kunt u zich abonneren op onze attenderingsservice.