Nameting: debatten, peilingen vooral bepalend voor PvdA en SP

Gepubliceerd: 21-09-2012

Zowel debatten, peilingen, partijprogramma’s als stemwijzers invloedrijk
 
In de twee dagen voorafgaand aan de stembusgang is er door de kiezers nog lustig geswitcht tussen partijen. Een kwart (24%) met een voorkeur voor een bepaalde partij is uiteindelijk alsnog geswitcht. Debatten, maar ook de peilingen, partijprogramma’s en stemwijzers deden kiezers van mening veranderen. We zien veel overeenkomsten met voorgaande verkiezingen. Een op de vijf (20%) kiezers bepaalde op de laatste dag of in het stemhokje zijn of haar keuze (in 2010: 19%).

Ook de motieven om op een partij te stemmen zijn onveranderd: het partijprogramma en instemming met de ideologie blijven het vaakst genoemd. Switchers zijn het vaakst van mening veranderd door de (nasleep van de) debatten. Maar wel degelijk nieuw is de sterke toename van de strategische stem. Dat alles blijkt uit een nameting onder 1.789 kiesgerechtigden, die allen ook in de slotpeiling van TNS NIPO zijn bevraagd.
 
Waar haalden de VVD en de PvdA hun winst vandaan in de laatste dagen voor de verkiezingen? De VVD won van allerlei partijen, maar vooral van de PVV (10%), CDA (5%) en D66 (5%). Daarnaast blijkt dat de VVD veel ‘twijfelende’ kiezers naar zich toe heeft getrokken (12%). Ook de PvdA trok veel twijfelaars (13%). Verder trok de PvdA kiezers weg bij D66 (11%), de SP (17%) en GroenLinks (24%).


1 | Switchgedrag op laatste dag





Een op vijf bepaalde op laatste dag, een derde wist het al lang
Het aandeel kiezers dat pas op het allerlaatste moment (in het stemhokje, of op de laatste dag) landde, verschilt nauwelijks met het aandeel kiezers dat dit voorgaande verkiezingen deed. Een op vijf bepaalde op de laatste dag (13%) of zelfs in het stemhokje (7%). In 2010 ging het om 19% van de kiezers, in 2006 om 20%. En net als bij voorgaande verkiezingen gaf een derde (34%) aan dat de keuze al lang vast stond. Dat gold in het bijzonder voor PVV-, CDA- en VVD-stemmers: respectievelijk 52%, 43% en 39% stelt dat de keuze al heel lang geleden was gemaakt. Dat strookt met het beeld uit de peilingen van de laatste weken, waaruit bleek dat kiezers op deze partijen bovengemiddeld vaak aangaven ‘zeker’ op deze partijen te gaan stemmen.


2 | Wanneer stemkeuze bepaald?




Stemmotieven: VVD, PvdA strategie, PVV standpunt en protest, SP opkomen voor groep
In vergelijking met de verkiezingen in 2010 zijn de motieven om op een bepaalde partij te stemmen niet wezenlijk veranderd: het partijprogramma (38%) en een aansluitende ideologie staan nog altijd op 1 en 2. De strategische stem heeft wel aan belang gewonnen (van 11% naar 16%). ‘Een aansprekende lijsttrekker’ wordt minder vaak als motief genoemd (van 24% naar 19%), maar dat zal vooral komen omdat een nieuw ingevoerd motief (‘de lijsttrekker doet het goed in de debatten’) door 14% wordt genoemd.
 
VVD-stemmers voeren bovengemiddeld vaak de strategisch slimme stem (24%), een aansprekende lijsttrekker (23%), de goede prestaties in de regering (20%) en de goede doorberekeningen van het CPB (8%) als reden aan. PvdA-kiezers noemen vaak de goede prestaties van de lijsttrekker in de debatten (28%), de strategisch slimme stem (26%) en - toch ook vaker - de goede positie in de peilingen (8%). PVV-kiezers sloegen aan op het argument dat men het eens was met een bepaald standpunt (43%) en het feit dat men het met andere partijen niet eens was (27%). SP-stemmers noemen vaak dat de partij opkomt voor de groep waar men zich toe rekent (38%) en (net als PVV-stemmers) dat men het eens was met een bepaald standpunt (36%). Bij CDA-stemmers scoort de ‘gewoonte’ bovengemiddeld (22%), bij D66 de ideologie (49%) en een aansprekende lijsttrekker (32%).



3 | Stemmotieven in 2010 en 2012






Switchmotieven: strategisch stemmen duidelijk belangrijker dan in 2010
Dat strategisch stemmen wel degelijk een grotere invloed heeft gehad dan in 2010, blijkt uit de motieven van de aanzienlijke groep stemmers die in de laatste 24 uur nog van voorkeur is veranderd. Net als in 2010 wordt (de nasleep van) de debatten nog wel het vaakst als switchmotief genoemd (nu 26%, toen 25%), maar de strategische stem scoort in alle opzichten veel hoger dan in 2010: of het nu is om een bepaalde coalitie kansrijker te maken (nu 23%, toen 11%), om een bepaalde partij de grootste te maken (nu 17%, toen 4%), om een bepaalde partij niet de grootste te maken (nu 12%, toen 4%), of om een bepaalde coalitie minder kansrijk te maken (nu 10%, toen 5%). Opvallend: de strategische pro-stem scoort bij PvdA-stemmers beduidend beter (om een partij de grootste te maken/ coalitie mogelijk te maken: beide 30%), terwijl bij VVD-stemmers de strategische anti-stem – voorkomen dat een bepaalde partij de grootste wordt – hoger scoort (25%).
 


4 | Switchmotieven slotpeiling en uiteindelijk stemgedrag, in 2010 en 2012





Nederlanders debat- en peilingmoe
Nederlanders waren na afloop van de verkiezingen voor de Tweede Kamer debat- en peilingmoe. Een meerderheid van de Nederlanders is van mening dat er teveel debatten waren (55%), een exact even grote groep (55%) meent dat er teveel peilingen worden gepubliceerd.

Dat laat onverlet dat de debatten en peilingen voor een vrij aanzienlijk deel het stemgedrag van Nederlanders bepaalden. Een op de acht (12%) hield bij het bepalen van de stem in sterke mate rekening met de positie van de partij in de peilingen, 4% heeft zich sterk laten leiden door de vier slotpeilingen op de dag voor de verkiezingen. En Nederlanders die minimaal een of meer debatten (deels) hebben bekeken, stemden anders dan Nederlanders die dat niet deden. Zowel met betrekking tot de peilingen als de debatten profiteerden vooral PvdA en VVD, terwijl de PVV en SP dat duidelijk niet deden.
 
Geïnformeerde kiezers stemden significant vaker op de VVD en PvdA
Kiezers die geen gebruik hebben gemaakt van stemhulp of het lezen van partijprogramma’s tijdens de verkiezingscampagne, stemmen significant meer op een kleinere partij (ChristenUnie, GroenLinks, Partij voor de Dieren, SGP, 50-plus) in vergelijking met kiezers die dit wél deden. Uit Figuur 5a blijkt dat kiezers die zich juist wel lieten beïnvloeden of informeren door een stemhulp of partijprogramma’s significant vaker op de VVD en PvdA zijn gaan stemmen.
 


5a | Meer PvdA- en VVD-kiezers onder lezers van partijprogramma’s en gebruikers van stemhulp

** = statistisch significant verschillend tov percentage bij "ja-groep"


We zien hetzelfde significante verschil in steun tussen kleine partijen versus VVD en PvdA onder kiezers die wel, en kiezers die niet naar debatten keken of zetelpeiling(en) volgden tijdens de verkiezingscampagne (Figuur 5b).
Bijvoorbeeld: van de kiezers die niet de zetelpeiling(en) volgden, stemde 65% op een kleine partij tegenover 25% onder kiezers die dit wel deden. Kortom, de debatten en zetelpeiling(en) hebben een positieve electorale boost gegeven aan de VVD en PvdA.



5b | Meer PvdA- en VVD-kiezers onder kijkers van politieke debatten en gebruikers van peilingen


** = statistisch significant verschillend tov percentage bij "ja-groep"

 


Onderzoeksverantwoording

  • Onderzoeksnummer: D0542.
  • Onderzoeksmethode: TNS NIPObase CAWI.
  • Aantal respondenten: aan het onderzoek werkten 1.789 Nederlanders (18+) mee. Het betrof een zogeheten nameting: de 1.917 deelnemers aan de slotpeiling van TNS NIPO (9 tot en met 11 september) werden opnieuw uitgenodigd. De respons was dus 93%.
  • Veldwerkperiode: 14 september tot en met 18 september.
  • De steekproef is herwogen op geslacht, leeftijd, opleiding, gezinsgrootte, regio en politiek stemgedrag 2012.

 
TNS NIPO werkte sinds juni 2012 met een zogeheten rolling panel: respondenten van het ene onderzoek werden voor een kwart vervangen door nieuwe respondenten.
 
Bij verspreiding of publicatie de bron TNS NIPO gebruiken.

Voor meer informatie:
Peter Kanne
t 020 522 59 24 / 06 22549631
e Peter.Kanne@tns-nipo.com 
 
Tim de Beer
t 020 522 53 99 / 06 39231175
e Tim.de.Beer@tns-nipo.com