Merendeel mensen met WMO of AWBZ in ongewisse over veranderingen in zorg

Gepubliceerd: 17-11-2014

Ontvangers van WMO (Wet maatschappelijke ondersteuning) of AWBZ (Algemene wet bijzondere ziektekosten) zijn naar eigen zeggen niet goed geïnformeerd over de persoonlijke gevolgen van de veranderingen die na 1 januari 2015 gaan plaatshebben. Vanaf die datum worden gemeenten verantwoordelijk voor veel zorgtaken. Dit heeft directe gevolgen voor onder meer mensen die onder de WMO- of AWBZ-regeling vallen. Maar liefst 67% van de mensen met WMO en 60% van de mensen met AWBZ geeft aan niet goed op de hoogte te zijn van de veranderingen. Dit blijkt uit recent onderzoek van TNS NIPO.
 
Dit hoeft op zich geen probleem te zijn, ware het niet dat een groot deel van deze mensen zich zorgen maakt over de gevolgen van deze veranderingen. Bijna de helft verwacht dat de te ontvangen zorg na 1 januari 2015 enigszins of sterk zal veranderen. En: hoewel de helft de huidige zorgverlener verwacht te kunnen behouden, heeft een grote groep nog sterke twijfels daarover.
 
Er bestaat ook veel onduidelijkheid over te ontvangen zorg en de hoeveelheid zorgverleners waar men na 1 januari mee te maken krijgt – de meningen zijn verdeeld, maar de meeste ondervraagden tenderen naar het vermoeden dat het in beide gevallen ‘minder’ zal zijn.
 
Ook na 1 januari thuis blijven wonen
Het goede nieuws is dat een comfortabele meerderheid verwacht voldoende zorg te ontvangen om ook na 1 januari 2015 thuis te kunnen blijven wonen, maar daar staat tegenover dat maar een uiterst kleine groep verwacht passende extramurale zorg te kunnen vinden indien dat niet het geval is. Vooral de WMO-groep (15%) heeft hier bijzonder weinig fiducie in.
 
Kostenaspect grootse zorg
Het kostenaspect baart de respondenten de meeste zorgen – dat geldt zowel voor mensen met WMO als voor mensen met AWBZ. Maar liefst een derde van de mensen met WMO en een kwart van de mensen met AWBZ verwacht een sterke toename van de (persoonlijke) kosten. Zorg nummer twee is dat ‘de hoeveelheid professionele zorg zal verminderen’.
‘Dat mijn familie, vrienden en buurtgenoten de benodigde zorg niet kunnen leveren’ en ‘dat ik mijn zorgverlener niet kan behouden’ completeren het lijstje van veel geuite zorgen.
 
Weinig vertrouwen in naaste omgeving
Het is maar de vraag of ‘de participatiesamenleving’ soelaas kan bieden. Mensen met AWBZ en WMO in dat opzicht op weinig sociaal kapitaal te kunnen rekenen. Veel vertrouwen in (de bijspringmogelijkheden van) hun naaste omgeving hebben mensen met WMO of AWBZ niet. Dat geldt vooral voor mensen met WMO: slechts een kleine groep verwacht dat vrienden, kennissen of familie zorg kan (of wil) leveren – 22% verwacht van wel, 69% van niet! Deze hulp niet durven vragen lijkt ook een forse hinderpaal te zijn: slechts iets meer dan een derde durft deze hulp daadwerkelijk aan de naaste omgeving te vragen. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat termen als ‘machteloosheid’, ‘onrust’, ‘verontwaardiging’ en ‘angst’ veelal worden geuit als gevoelde emoties, als het op veranderingen in de zorg aankomt.
 
WMO-groep meest kwetsbaar
Het meest kwetsbaar lijkt de WMO-groep. De populatie ‘mensen met WMO’ herbergt veel zeventig plussers (en is daarmee gemiddeld iets ouder dan de populatie ‘mensen met AWBZ’). Dit feit – in combinatie met het gegeven dat de groep mensen met WMO gemiddeld gesproken veel laag opgeleiden herbergt - maakt lager opgeleide WMO’ers in het bijzonder tot een groep die aandacht behoeft. Lager opgeleide WMO’ers zijn over het algemeen minder goed geïnformeerd over de naderende veranderingen in de zorg en pessimistischer over de mogelijkheden om hulp te kunnen ontvangen van hun sociale omgeving. Ook vreest men de mogelijke kostenstijgingen na 1 januari 2015 in boven gemiddeld sterke mate.
 
Kortom: een duidelijk signaal dat de onrust van de mensen om wie de veranderingen in de zorg daadwerkelijk gaan, serieus genomen moet worden.



 
Onderzoekverantwoording
 
TNS NIPO heeft onderzoek gedaan onder een representatieve groep mensen die momenteel onder de WMO- of AWBZ-regeling vallen. Het onderzoek bestaat uit drie metingen. De eerste meting van het onderzoek – vóórdat de grootschalige veranderingen in de zorg in werking treden – maakt duidelijk dat veel mensen in het duister tasten over de gevolgen van deze veranderingen. Mede hierom maken veel mensen zich zorgen.
 
Het onderzoek is op basis van drie stappen uitgevoerd:
 
Stap 1: selectie van de doelgroep
Om de doelgroep te traceren, hebben we binnen het online panel van TNS NIPO aan 47.119 respondenten gevraagd of zij momenteel AWBZ- of WMO-zorg ontvangen.
 
Stap 2: populatiekenmerken en herweging
We willen graag uitspraken doen over een representatieve groep mensen (18+) die AWBZ- of WMO-zorg ontvangen.[1] We hebben om die reden de groep respondenten (n = 47.119) die de vragenlijst in de screening hebben ingevuld, herwogen naar de Nederlandse populatie op de kenmerken: geslacht, leeftijd en opleiding. Op die manier weten we dat de totale groep respondenten een goede afspiegeling is van de Nederlandse bevolking. Vervolgens hebben we binnen deze representatieve groep gekeken wat de kenmerken zijn van de respondenten die AWBZ- of WMO-zorg ontvangen. Zodoende weten we de achtergrondkenmerken van deze groep mensen binnen een representatieve afspiegeling van de Nederlandse populatie.
 
Stap 3: hoofdonderzoek
Uit de groep mensen die AWBZ- of WMO-zorg ontvangen, is vervolgens weer een bruto steekproef van 614 respondenten (307 AWBZ en 307 WMO) getrokken voor het hoofdonderzoek. De steekproef is getrokken op geslacht, leeftijd en opleiding. De respondenten is een uitnodiging gestuurd voor deelname aan het onderzoek waarover we in dit rapport de resultaten bespreken. Aan het begin van de vragenlijst is middels een selectievraag gecontroleerd of de aangeschreven respondenten daadwerkelijk WMO dan wel AWBZ ontvingen. Indien dat het geval was, mochten zij aan het hoofdonderzoek deelnemen.  Het onderzoek is uitgevoerd van 6 t/m 11 november 2014 volgens de zogeheten CAWI-methode (Computer Assisted Web Interviewing). Respondenten ontvingen een mail met daarin een link naar de vragenlijst en vulden deze vervolgens op hun eigen pc in. De uiteindelijke resultaten zijn voor beide groepen afzonderlijk herwogen naar de‘ideaalcijfers’ voor geslacht, leeftijd en opleiding. Het responspercentage op dit onderzoek was 71 procent.
 
 
 
 



[1] Mensen die AWBZ én WMO ontvangen, zijn buiten beschouwing gelaten.